“Van dat wat er niet mag zijn”
Ik ben een kind van…
zong Wendy Snijders.
Zelf ben ik een kind van:
een koloniaal verleden, van Jappenkampen, van misbruik,
van rijkdom en armoede,
van aanzien en de goot, van goed en fout,
van poppenkast en rauwe werkelijkheid,
van verbinding en verscheuring,
van vinden en kwijtraken,
van elitair en eenvoudig,
van universitaire studies en lager onderwijs,
van groot en klein,
van een kunstenaarsgezin,
van leugens en verzet,
van kou en warmte,
van upper class en minderheid,
van geven en nemen.
Door de systemen heen is een gat geslagen.
Een groot gat, waarvan ik weet dat het diepe wortels heeft
in het kolonialisme, de Tweede Wereldoorlog
en de strijd in Nederlands-Indië.
Trauma’s in een familiesysteem.
Als een etterende wond druppelt het verder:
druppels van afwijzing,
van ‘speciaal zijn’,
van verbergen,
van mooi weer spelen,
van verwachtingen.
Van zoveel…
Iedereen met zijn eigen plek,
binnen dat wat ooit uit verbinding raakte.
De wonden uit het verleden woekeren door,
generaties lang.
Je ziet hoe mensen elkaar verliezen,
door dat wat onderhuids wordt doorgegeven.
Iedereen met zijn eigen overlevingsreacties,
ten dienste van overleven.
De één laat spanning escaleren,
de ander wordt stil.
De één vecht, de ander trekt zich terug.
De één gaat drinken,
de ander obsessief sporten, werken
of heel wat anders doen.
We doen van alles om te ‘overleven’
van dat wat er niet mag zijn.
En zo voedt het ene het andere.
Komen er verwijderingen.
Verliezen we elkaar uit het oog.
Blijven de wonden, opgedaan in het verleden,
doorgegeven worden.
Alles vanuit de schone schijn,
die het leed verbergt dat te zwaar was om te dragen.
Ik heb hetzelfde gedaan.
Wegkijken.
Zorgen dat er geen escalaties kwamen.
Want de angst voor afwijzing
was zo groot,
dat juist daardoor afwijzing ruimte kreeg
De angst voor afwijzing,
gepaard met de angst voor agressie,
zorgde ervoor dat ik niet kon staan.
Mijn grens was als een elastiek
dat eindeloos werd uitgerekt.
En juist dat uitrekken
zorgde voor pijn en onmacht.
Want als ik wél stond,
in mijn kracht,
mijn grens trok – tot hier en niet verder –
ontstond er eenheid, verbinding en rust.
Om dat te kunnen,
moest ik steeds opnieuw naar binnen.
Al mijn angsten rondom afwijzing en agressie
letterlijk in de ogen kijken.
Alsof ik oog in oog stond
met een draak die mij kon vermorzelen.
De draak van mijn verleden.
Zo hebben wij allemaal een draak.
Een draak die wij in de ogen hebben te kijken,
om echte verbinding te maken
met onszelf
én met ons familiesysteem van herkomst.